Onderwijsvernieuwing

Vernieuwing. Bij het ministerie van onderwijs zijn ze er dol op. En als de onderwijskundigen op het ministerie het zelf niet kunnen verzinnen, dan wordt het wel bedacht door de VO-raad, de PO-raad, de Onderwijsraad, en weet ik veel wat voor adviesraden er nog meer zijn. Tel daar een ambitieuze minister en een staatsecretaris bij op, en het feest van vernieuwing is compleet. De ene onderwijsvernieuwing is nog niet afgerond, of de andere staat al weer voor de deur. Het idee achter een vernieuwing is vaak dat het een probleem moet oplossen. De aansluiting VWO naar WO is slecht: studiehuis. Leerlingen kunnen slecht rekenen: invoering van het rekenexamen. De aansluiting van VMBO naar MBO moet beter: we bedenken nieuwe examenprogramma’s. De mensen hebben geen normen en waarden meer: we gooien er een cursus burgerschap tegenaan. En ga zo maar door. Het zou interessant zijn om eens te meten wat het rendement is van al die vernieuwing.

Ik hoorde eens een collega zeggen dat onderwijsvernieuwing niet bestaat. “Onderwijsontwikkeling, dat bestond wel.” Ik was zelf net enthousiast bezig het onderwijs te vernieuwen op dezelfde school en wilde het niet horen. Met een team bevlogen docenten voerden we de weektaak in en ontwikkelden we contextrijke opdrachten. Naast cijfers was er ook aandacht voor het ontwikkelen van vaardigheden en persoonlijke ontwikkeling. Het was zo anders dan ik tot dan toe had meegemaakt, dat ik het graag bestempelde als vernieuwing. We gingen de wereld veranderen. Het gaf veel voldoening om als team samen stappen te zetten. Het ging wel met vallen en opstaan, maar we waren niet bang om fouten te maken.

Als ik terugkijk, dan was er weinig nieuws onder de zon. Alles wat we invoerden was al eens bedacht en gedaan. En niet één keer, maar wel honderd keer. We keken het ook letterlijk af van scholen waar we naar toe gingen ter inspiratie. Mijn collega had gelijk, onderwijsontwikkeling is een betere term. Ontwikkeling geeft aan dat het voortborduurt op dat wat bestaat, met als doel het te verbeteren. Het is een wat meer nuchtere benadering, die er voor zorgt dat je met beide benen op de grond blijft staan.

Je kunt als school beter investeren in de ontwikkeling van mensen en het leren samenwerken als team. Daar zit toegevoegde waarde in. Als een groep mensen leert om samen verantwoordelijk te zijn voor het onderwijs, dan komen de ideeën vanzelf. Dan ga je samen aan de slag om het onderwijs te ontwikkelen. In het bedrijfsleven noemen ze dat Human Resource Management. In het onderwijs wordt daar te weinig mee gedaan. Ik ben geen expert als het gaat om het succes van het Zweedse onderwijsmodel, maar ik denk dat we in Nederland net zo succesvol zouden kunnen zijn als we meer zouden investeren in de mens die voor de klas staat. Met de 20 lessen per week die een docent in Zweden voor de klas staat heb je daar dan ook tijd voor. Met het geld dat we in Nederland uitgeven aan onderwijs is die 20 lesuur niet te betalen. Er zouden miljarden bij moeten.

Er bestaat een verband tussen kwaliteit van onderwijs en het geld dat je er in stopt. Het ministerie wil meer kwaliteit voor minder geld en noemt dat opbrengstgericht werken. Er is niks mis met efficiëntie, maar er zit een grens aan. De opbrengst kan nog wel eens tegenvallen. Geld investeren in het onderwijs, dat zou pas vernieuwend zijn!


Deze column verscheen in het semptebernummer van onderwijsvakblad Bij de les.

De ideale school

Met enige vertraging. Deze column is al van een tijd terug…

Zo af en toe stel ik mij voor hoe de ideale school eruit ziet. In mijn gedachten hebben zich al heel wat luchtkastelen gevormd. Van realistisch en dicht bij de onderwijspraktijk tot utopisch en grenzeloos. Ondanks alle beperkingen waar we mee te maken hebben, ben ik er van overtuigd dat er nog veel meer uit het onderwijs te halen valt. Blijven dromen dus. Mijn laatste versie van de ideale school was realistischer dan ooit.

Sinds begin dit schooljaar werk ik op een vmbo-school voor beroepsonderwijs in Purmerend, SG Gerrit Rietveld. Ik geniet er van. Als ik door de praktijkvleugel loop ruikt het naar praktijk. Naar verbrand metaal of naar vers gezaagd hout. Wanneer ik mijn neus achterna loop kom ik in de keuken, waar precies als ik aankom de kokoskoeken uit de oven worden gehaald. De leerlingen van ‘onze’ school schitteren in de praktijk. Hoe ‘echter’ de opdracht, hoe harder de leerlingen werken. Leren lijkt dan vanzelf te gaan. Laatst was het basisonderwijs bij ons op bezoek. Leerkrachten van groep 8 kregen voorlichting over onze school en het beroepsonderwijs. Bij de ontvangst in de hal verwelkomde Rowena de gasten hartelijk. Ze gaf ze een hand, maakte een praatje en bracht ze naar de aula, waar Quincy wat te drinken voor ze inschonk. Ondertussen werd met de grootste aandacht een bescheiden lunch voorbereid door de rest van klas 1B. Na de algemene voorlichting was het tijd voor een rondleiding door het gebouw. De meiden en jongens van Zorg & Welzijn gaven de directrice van hun oude basisschool uitleg over het maken van een perfecte middenscheiding. Toen het haar allemaal een beetje te snel ging deden ze het met engelengeduld voor op de oefenpop, net zolang totdat ze het zelf kon. In het motorvoertuigenlokaal hadden de stoere mannen (en één stoere vrouw) een quiz in elkaar gedraaid waarin ze hun kennis over het gebruik van winterbanden hadden verwerkt. Ze vertelden er vol enthousiasme over en genoten er van om de gasten iets bij te leren.

In mijn ideale school zouden we alleen nog maar ‘echte’ opdrachten doen. We monteren winterbanden en vervangen accu’s voor particulieren, we verzorgen de lunch voor de bedrijven van het industrieterrein naast onze school. Ze komen bij ons eten in het restaurant, of we bezorgen het. Onze ADHD’ers rijden een record aantal fietsritten op een dag. Ook voor handmassages, nagels lakken en haarverzorging kun je bij ons terecht. En kun je geen oppas vinden voor de kleintjes? Geen probleem, we hebben een eigen kinderopvang in het gebouw. Elke dag vangen we de kleintjes van onze eigen medewerkers op. De leerlingen lezen verhaaltjes voor en vallen soms samen met de kleine hummels in slaap. Niet alleen binnen school, ook in de buurt timmeren we aan de weg. Soms letterlijk, als we in de wijk met de afdeling bouw een verzakt trottoir ophogen en her-bestraten. Maar we houden ook de wijk schoon en doen vrijwilligerswerk in het verzorgingstehuis. Het is mooi om te zien met hoeveel wederzijds respect pubers en bejaarden met elkaar omgaan. Onbetaalbaar. Dat kun je niet leren uit een boekje.

Het is best mogelijk om zo’n school te maken. Klein probleempje. We hebben dan niet meer zoveel tijd voor theorielessen. Waarschijnlijk nemen we minder schriftelijke toetsen af en halen we niet alle kerndoelen en eindtermen die ons worden voorgeschreven door het ministerie. Ik weet niet of de minister daar blij wordt? Ik in ieder geval wel.

Dirk Olsthoorn


Column van november 2013, voor onderwijsvakblad Bij de Les.

Claustrofobisch

Hoe langer ik in het onderwijs werk, hoe meer de muren op mij afkomen. Vooral in de winter wordt ik er depressief van. Ik kom om acht uur aan op school als het nog donker is, ga de hele dag niet naar buiten en als ik om even na vijf vertrek is het nog steeds donker. 1000 uur per jaar sluiten we onze leerlingen op tussen vier muren. We stomen onze leerlingen klaar voor de moderne maatschappij, maar wat zien onze leerlingen van deze maatschappij tijdens schooltijd? We leren ze over normen en waarden en respect hebben voor elkaar, we brengen ze goed burgerschap bij. En al deze wijze lessen leren we ze voornamelijk in… het klaslokaal. We bespreken met onze leerlingen welke beroepen er zijn en hoe hun talenten daarbij aansluiten. Maar hebben we wel een goed beeld van die talenten? We zien vooral de talenten die ze op school gebruiken. Over de talenten buiten de muren van het schoolgebouw wordt nauwelijks gesproken. Ik kan zo nog wel even doorgaan. Biologie, natuurkunde, aardrijkskunde worden onderwezen vanuit het klaslokaal. Terwijl er bij deze vakken veel aanleiding is om naar buiten te gaan. Of wat te denken van het leren van een vreemde taal. Als je het mij vraagt is het tegennatuurlijk en misdadig om een taal te leren vanuit een boek. Ik heb drie jaar geworsteld met het Franse lesboek en kwam niet veel verder dan Je m’appelle Dirk. Op vakantie in Frankrijk met mijn ouders waren twee weken zomerliefde genoeg om mij vloeiend Frans te leren spreken.

Mijn school van de toekomst zou een openluchtschool zijn. Leren doe je bij voorkeur niet in een klaslokaal. Het is geen revolutionair idee. Vooral in de twintigste eeuw zijn verwoede pogingen gedaan om het onderwijs meer contextrijk te maken. Maria Montessori deed dat door met uitdagende lesmaterialen de zintuigen te prikkelen. Zij probeerde de buitenwereld binnen school te halen. De Nederlandse pedagoog Jan Ligthart nam de leerlingen het liefst letterlijk mee naar buiten. Naar de moestuin of de visafslag. In de jaren negentig werkte Probleemgestuurd Onderwijs (PGO) met contextrijke opdrachten die als kapstok dienden voor de theorie die daardoor meer zinvol werd. Nog later raakte competentiegericht onderwijs in de mode. Ook het Daltononderwijs en Jenaplanscholen hebben door de jaren heen hun best gedaan om op zijn minst het onderwijs meer aanschouwend te maken.

Waarom lijkt ons onderwijs dan nog op dat van honderd jaar geleden? Ik heb een simpele en misschien teleurstellende verklaring: geld. Onderwijsvernieuwingen gedijen goed in tijden van hoogconjunctuur. Zodra er crisis uitbreekt storten de zorgvuldig opgebouwde onderwijsconcepten als een kaartenhuis in elkaar. Dat heeft de geschiedenis ons geleerd. Dezelfde geschiedenis die ons heeft geleerd dat veranderingen die worden voorgeschreven door het ministerie vrij kansloos zijn. Ik verwacht dat er in de toekomst scholen zullen ontstaan die zelf bepalen wat nodig is om goed onderwijs te bieden. Onafhankelijk van geld van de overheid en niet gebonden aan regels van de inspectie. Het grote nadeel is dat je waarschijnlijk een flinke zak geld moet meenemen om je kind naar deze school te laten gaan. En dat past jammer genoeg niet bij mijn principes.

Deze column verscheen eerder in onderwijsvakblad Bij de les.

OV-toerist

Mijn persoonlijke OV-chipkaart is verlopen. Geen idee waarom zo’n stukje plastic kan verlopen. Hij zit in mijn portemonnee en komt er niet uit, ook niet bij het in- en uitchecken. Een bankpasje slijt, omdat die wel eens in en uit een pinautomaat gaat. Maar mijn OV-chipkaart ziet er nog kakelnieuw uit. En afgezien van een ander kapsel, lijkt de pasfoto nog prima op mij – niet dat ooit iemand er naar gekeken heeft.

Maar goed, hij is dus verlopen. Van de klantenservice van OV-chipkaart ontving ik 6 juli een brief daarover. Een nieuwe kaart kost €7,50. Het zal wel. Bij het online aanvragen word je op de eerste pagina gelijk gewaarschuwd voor het gebruiken van de juiste Flash-player bij het uploaden van de nieuwe pasfoto. Dat lukt dus ook niet. Ondanks het juiste bestandstype en de juiste bestandsgrootte loop ik er op vast. De foto wordt wel geupload maar verschijnt, ongeacht welke browser of computer ik gebruik, op z’n kop in het preview venster. Ik ben er helemaal klaar mee en vouw de brief nog net niet tot een prop.

Dat was een maand geleden. Vandaag was ik helemaal zen en toe aan een nieuwe poging. De allermeest-recent-nieuwste Flashplayer geïnstalleerd en warempel, gelukt. De uitleg over het betalen van €0,01 voor het activeren van automatisch opwaarderen begreep ik niet helemaal. Dat is van latere zorg, ik was allang blij. Volgens de website kan ik de nieuwe OV-chipkaart binnen drie werkdagen verwachten, volgens de bevestigingsmail binnen zeven werkdagen. Alles daar tussenin reken ik goed.

Vandaag wil ik graag naar Amsterdam. Ik heb een minuscuul gaatje in mijn nieuwe Rapha superlight wielrenshirt. Bij de Rapha winkel in de Wolvenstraat kun je dat gratis laten repareren. Daarna ergens lunchen op het terras en wie weet vanavond wat eten en drinken bij Mossel en Gin. Net alsof het nog vakantie is. Maar hoe komen we in Amsterdam? Alleen zou ik op de fiets gaan maar dat vindt mijn gezelschap geen goed plan. Met de auto is gekkenwerk dus toch maar met het openbaar vervoer.

Hoe werkt dat zonder persoonlijke OV-chipkaart? Ik voel me een toerist in eigen land. Hoe een strippenkaart werkte kon ik een toerist nog uitleggen. Het was lastig, maar het lukte. Bij de OV-chipkaart snap ik het zelf niet, laat staan dat ik het kan uitleggen. Ik kan een anonieme chipkaart kopen voor €7,50 en die kan ik dan opladen. Maar ik heb net €7,50 betaald voor een persoonlijke chipkaart, dus zonde geld. Lijkt mij voor een toerist ook een investering die niet zo gauw is terugverdiend. Even googelen op wegwerpchipkaart leert mij dat je inderdaad ook kaarten hebt die je na gebruik weer weg kunt gooien. Volgens de website van ov-chipkaart kan ik zo’n kaart ook kopen in bus en/of tram. In de volgende alinea staat dat ik die kaart dan wel eerst op moet laden bij een automaat? Verder wordt mij niet duidelijk of ik met de EBS-dagkaart ook in Amsterdam de tram kan pakken. In ieder geval kan ik bij een servicebalie van EBS wel een wegwerp OV-chipkaart kopen van het GVB.

Ik ga het maar gewoon proberen. Zo ingewikkeld kan het toch niet zijn.

Verslaafd

“Oké, mensen: mobiel mág op tafel, áls er tenminste gewerkt wordt.”
“Nee, geen WhatsApp, natuurlijk niet. Je mag muziek luisteren… “
“Maar ik wil niet dat jullie na elk liedje weer moeten zoeken naar het volgende liedje. Dus zet een playlist aan!”
“Nee, Jessica, maar één oortje in, anders hoor je mij niet meer als ik je wat vraag. Dat wist je toch?”
“Sorry meneer!”
“Mike, haal die telefoon onder de tafel vandaan en doe hem maar in je tas, je bent YouTube aan het kijken.” *zucht*
“Meester, u ziet ook echt alles.”

Hoe later op de dag, hoe groter de kans dat dit ritueel zich in mijn les voltrekt. Ik heb de opkomst van de mobiele telefoon in de klas meegemaakt. Sindsdien ben ik met collega’s op zoek naar een goede manier om hier mee om te gaan. Ik heb felle discussies gevoerd met tegenstanders, die het gebruik wilden verbieden. Het hoort nou eenmaal bij de huidige samenleving, je moet de leerlingen leren om er mee om te gaan. Leerlingen kunnen hun telefoon gebruiken om aantekeningen of foto’s te maken. Of om iets in hun agenda te zetten. Veel leerlingen kunnen beter werken als ze naar muziek luisteren.
Het zijn argumenten die ik vaak heb gebruikt, en nog steeds gebruik. En toch ben ik sterk aan het twijfelen geraakt. Het opvoeden van mijn leerlingen lukt mij steeds minder goed. Het is soms vechten tegen de bierkaai. Hoe leuk de les ook is, voor veel leerlingen is de telefoon toch altijd nog interessanter. Leerlingen zijn verslaafd aan WhatsApp, Facebook, Instagram en Snapchat – ik herken het maar al te goed, want ik ben zelf ook verslaafd. Een verslaafde help je niet door te zeggen dat je met mate mag gebruiken.

Binnen school kun je de mobiele telefoon in de ban doen, buiten school gaat dat niet. Niet alleen de school worstelt met een probleem, de hele samenleving is zoekende. Ik hoorde laatst het verhaal van een bedrijf waar in de kantine nauwelijks nog met elkaar gesproken wordt. Zodra de lunch begint zit iedereen te staren naar het scherm van zijn eigen mobieltje. Er zal nog wel een generatie overheen gaan voor we een oplossing hebben gevonden voor deze massale verslaving. Ik denk dat het nodig is om in het onderwijs een grens te stellen.

Het verbieden van de mobiele telefoon in de les betekent niet het einde van de digitale school. Integendeel. We kunnen het mobiele apparaat heel goed gebruiken. Het grootste voordeel is misschien wel dat leerlingen met behulp van de computer adaptief kunnen leren. Er worden steeds meer programma’s ontwikkeld die bruikbaar zijn in de les. De kwaliteit wordt ook steeds beter.
Een consultant vroeg laatst mijn mening over een nieuw product dat ze aan het ontwikkelen zijn. Het ging om een tablet met een afgeschermde omgeving. Als een leerling het wiskundelokaal binnenloopt, weet het apparaat op basis van het rooster en de locatie precies welke apps er geladen moeten worden. Bij wiskunde bijvoorbeeld het digitale wiskundeboek en de rekenapp. Verder kan de docent voor een klas of individuele leerling de rechten tijdelijk uitbreiden. Handig als er iets moet worden opgezocht op internet. Als school kun je een playlist samenstellen die je alleen at random kunt afspelen. Jottem! En dan stiekem een pianoconcert van Beethoven ertussen. U hoort het, ik ben enthousiast.

Deze column verscheen eerder in onderwijsvakblad Bij de les.

Interview in Van 12 tot 18

MUST SEE 8 Mr. Kanamori: Children full of life – Dirk Olsthoorn

Geen medium zo geschikt om te inspireren of wakker te schudden als video. Daarom zocht Van Twaalf tot Achttien in samenwerking met Henk Sissing uit welke films, documentaires en series u als onderwijsprofessional niet mag missen. In deze reeks bespreken docenten, schoolleiders, scholieren en andere onderwijsexperts elke editie een must see. Deze keer: Mr. Kanamori: Children full of life.

Toshiro Kanamori, leraar op een Japanse basisschool, heeft één belangrijk doel tijdens zijn lessen: dat de kinderen gelukkig leren te zijn. Mr. Kanamori: Children full of life is een documentaire uit 2003, waarin de toen 57-jarige leraar gevolgd wordt in zijn dagelijkse bezigheden. Binnen het conservatieve en rigide Japanse leersysteem springt deze inspirerende leerkracht direct in het oog, maar ook voor Nederlandse leraren en onderwijsbegeleiders is deze uitzonderlijke man erg inspirerend. Zijn visie is om kinderen vooral te leren een band met elkaar te creëren en laat zien hoe hij zijn ideeën in de praktijk brengt. Dirk Olsthoorn, docent en teamleider op het SG Gerrit Rietveld in Purmerend, bekeek de film.

door cerianne van ijzendoorn


De belangrijkste les op school: hoe word ik gelukkig?


Wat was je eerste indruk?

‘Het is een film waarin een heel perfect beeld wordt geschetst van hoe een leraar kan zijn en misschien zou moeten zijn. Maar het is me te romantisch. Het is een sprookje; niet dat ik zeg dat die situatie daar niet echt zo is, maar zo’n reactie roept het bij me op: “ja, ja, dat zal wel!”

Maar tegelijkertijd word je wel naar binnen gezogen en ben je geïnteresseerd hoe het sprookje afloopt. Ik ben heel erg onder de indruk van het overduidelijke charisma van de leraar en dan zie je ook direct hoe belangrijk de persoonlijkheid van de docent is voor een klas. Soms mis je dat. En als leerlingen je niet overtuigend genoeg vinden, willen ze ook niet van je leren. Ik vraag me af of je die overtuigingskracht wel kunt leren aan iemand of dat het in een persoon zelf zit. Zelf denk ik eigenlijk dat er indirect wel geselecteerd wordt op charisma. Leraren zonder charisma zullen veel eerder uitvallen als ze overstappen van studie naar praktijk.. Die leraren komen namelijk voor grote problemen te staan in de omgang met leerlingen.

Als er dan problemen zijn met een enkele leerling, dan is het makkelijk om het probleem ook bij die leerling neer te leggen en niet naar jezelf te kijken. Het is eigenlijk geen vraagstuk van schuld, maar meer een tekortkoming aan beide kanten. Een ervaren docent kan de tekortkoming misschien opvangen, maar bij een beginneling kan het dan mislopen. Wat je dan in de film ziet, is dat de relaties tussen docent en leerling en de leerlingen onderling zo ontzettend belangrijk is. Wie een band met elkaar voelt, werkt net even wat harder, doet net even wat meer moeite voor de ander. En je kunt als leraar ook veel meer maken in de klas als de relatie maar goed is.’


Welke scène is je het meest bijgebleven?

‘De scène waarin de leerling in opstand komen tegen een beslissing van de docent. Dat gaf me kippenvel. Het was zo herkenbaar. Ik denk dat dit soort situaties in Nederland best wel voorkomen en ik hoop dat er dan wederzijds respect is en de ruimte om met elkaar het gesprek aan te gaan in een veilige omgeving. In de film zie je goed hoe mooi ze daarmee omgaan. En vanuit je eigen situaties kun je naar de principes handelen. Ik herken dit, soms maak je iets mee en dan raak je zo ontroerd: kippenvel! Het draait niet om de vrijheid om kritiek te kunnen geven, maar om de vrijheid om de interactie aan te gaan: iets betekenen voor de leerlingen of dat zij iets voor jou doen.’


Wat zouden Nederlandse docenten uit de film mee kunnen nemen naar hun eigen onderwijspraktijk?

‘Ja, ik ken de context van die school en van de lessen niet, maar ik kreeg de indruk dat hij van de school ook veel de ruimte krijgt om te werken aan het opbouwen van een relatie. Het maakt al uit dat het een basisschool is, waarin je als docent minstens drie dagen voor de klas staat. Dat mis ik als docent op een middelbare school wel. Met drie uur in de week, waarin je een curriculum moet afwerken, kom je natuurlijk veel minder toe aan het opbouwen van een relatie met de groep. Bovendien deel je de verantwoordelijkheid met andere docenten. Dat maakt het ingewikkeld, omdat je de rust niet hebt om aandacht te schenken aan zaken buiten school. Zoals Kanamori ogenschijnlijk de tijd in zijn lessen nam voor een persoonlijk probleem van een kind. Stilstaan bij wezenlijke problemen en daar aandacht aan besteden, dát mis ik in Nederland. Bij Kanamori is de belangrijkste les om je gelukkig te voelen. In Nederland is het belangrijkste doel om je eindexamen te halen, en als je dat leuk vindt, is dat mooi meegenomen.

Ik denk dat het Japanse en Nederlandse onderwijssysteem te verschillend zijn om de lessen van Mr. Kanamori één-op-één te implementeren hier. Maar je kunt natuurlijk wel beginnen met het bijstellen van je houding. Je moet als docent wel blijven doorlopen, want anders heb je aan het einde van de rit je stof niet behandeld, maar tegelijk kun je wel een heel eind komen als je leerlingen tussendoor probeert te laten werken aan hun eigen geluk en zelfvertrouwen. Misschien dat er wel een alternatief ontstaat voor reguliere scholen, zodat meer aandacht besteed kan worden aan persoonlijke ontwikkeling. De route daarheen is lastig, want je hebt al die eisen waaraan je moet voldoen of anders kom je te boek te staan als zeer zwakke school.’


Welke onderwijsvernieuwing hoop jij binnenkort te zien?

Tijden veranderen, maar het onderwijs niet zo snel. Ik wacht met smart op een onderwijsrevolutie. Er zijn wel wat onderwijsvernieuwingen doorgevoerd, maar helaas verdwijnen er ook weer mooie initiatieven in de loop der jaren. En voor iets nieuws heb je een groep docenten nodig en uiteindelijk heb je de hele school nodig, want zolang een vernieuwing geen onderdeel wordt van de schoolcultuur, is het gedoemd te falen. Het wordt dan een lange strijd die je langzaam verliest.

Dat wil niet zeggen dat het niet kan, maar de omstandigheden werken niet mee. Wij hebben met een team de leerlingen eigen bedrijfjes laten starten met opdrachten voor de omgeving om hen heen. Ze hebben echt producten ontwikkeld en verkocht. Met zulke projecten kijk je meteen naar de talenten van elke leerling: wat heb jij in huis? Waar ben je goed in? Leerlingen bloeien daarvan op, een feest om te zien. Voor zover ik weet, zijn alle leerlingen van dat project goed terecht gekomen. Het is jammer om te zien dat zo’n project na een aantal jaren, door regels of geldtekort of wat dan ook, niet meer dezelfde kracht heeft als met de start. Dat heeft niet meer met de kwaliteit van het onderwijs te maken, maar met blindstaren op de cijfers en kort door de bocht-denken. Het systeem zit vast en hoe zet je dan een revolutie in? Hoe verander je?

We vragen zoveel van docenten dat er bijna geen tijd is om echt na te denken over het welzijn van de leerlingen of om nieuw project uit te werken. Afwijken van de gebaande paden is niet gemakkelijk en gebeurt dus niet vaak. Ik hoop dat docenten die de basis leggen (basisschool en middelbare school) kleinere groepen leerlingen krijgen en meer tijd voor ontwikkeling.’


Welke andere onderwijsfilm zou je docenten kunnen aanraden?

‘Weet je, ik haak vaak af bij onderwijsfilms. Misschien arrogant, maar laten we hopen dat een onderwijsfilm niets nieuws te bieden heeft aan docenten. Uit zo’n film kun je inspiratie halen, maar ik haal mijn inspiratie dagelijks uit mijn eigen lesomgeving, uit mijn leerlingen.’

Dirk Olsthoorn werkt sinds 1998 in het onderwijs en doceerde eerder op de SG Antoni Gaudí en SG de Koogmolen. De docent en teamleider heeft naast een vlotte babbel ook een vlotte pen: op zijn blog www.dirkzijn.nl staan verschillende blogs, waaronder diversen over onderwijs.



Etterbakkie

Mike was een etterbakkie, en ik een beginnende docent in het vmbo. Ik zat nauwelijks een jaar op de lerarenopleiding en had nog geen stage gelopen toen ik mijn eerste baan kreeg. Het sollicitatiegesprek duurde tien minuten. De twee deelschoolleiders die tegenover mij zaten dachten wel dat ik het zou kunnen. Dat het de laatste dag voor de zomervakantie was zal ook hebben meegespeeld. Je begint de vakantie nou eenmaal lekkerder als je alle vacatures hebt ingevuld. In die tijd was er meer vraag naar docenten dan aanbod. Ik was vierentwintig jaar. Van een lesplan had ik nog nooit gehoord. Ik dacht dat leerlingen vanzelf wel naar mij zouden luisteren. Als ik aardig zou zijn voor hen, dan zouden ze dat vast ook wel voor mij zijn. Wist ik veel. Als ik erop terugkijk begrijp ik niet dat ik het heb aangedurfd.
Ik gaf les in de vakken informatiekunde, techniek en natuur- scheikunde. Aan klas 2A gaf ik alle drie de vakken. Het was een echte basisklas. Er was weinig concentratie, vooral als het te theoretisch werd haakten veel leerlingen af. De kinderen in de klas vertoonden alle onzekerheden die bij de leeftijd horen. De meesten hadden sterk de behoefte zichzelf te bewijzen en daarvoor was ik de aangewezen persoon. Ze konden ruiken dat ze met een beginnende docent te maken hadden. Ik werd gereld van alle kanten en begreep niet waaraan ik dat te danken had.
Mike had een ondeugende kop. Van alle leerlingen in de klas had hij er zichtbaar het meeste lol in om mij het leven zuur te maken. Daar reageerde ik op als door een wesp gestoken. Mike kreeg straf. Mike kreeg zelfs regelmatig straf. Ik moest toch iets? Mike vond het na de zoveelste keer niet terecht en ging de discussie aan. Hij was toch niet de enige? Ik liet me verleiden tot de discussie. Mike had natuurlijk wel een punt.
Uiteindelijk liep het hoog op en Mike barstte in tranen uit. Zijn rechtvaardigheidsgevoel vertelde hem dat hij gelijk had, dus was het zo. Ik voelde wel aan dat ik hem zo niet naar huis kon sturen. Waar Mike bij was belde ik zijn ouders op om te vertellen wat er aan de hand was. Zij kende hun ondeugende zoon wel een beetje, maar dat die stoere jongen nu aan het huilen was moest toch ook ergens vandaan komen. We kwamen er over de telefoon niet uit. Ik stelde voor dat ik ’s avonds bij hen op bezoek zou komen om er over te praten. Ze woonden bij mij om de hoek. We hoefden niet lang te praten. De ouders hadden vrij snel door hoe de vork in de steel zat. De onervarenheid droop van mij af, en Mike bekende kleur zonder dat hij daar zelf erg in had. Hij was in het bijzijn van zijn ouders tegen mij net zo brutaal als in de klas. Het bezoek had een haast wonderlijk effect. Niet alleen Mike en ik konden weer samen door een deur. Ook mijn relatie met de klas verbeterde enorm. De leerlingen hadden door dat ik het beste met ze voor had. Het was een keerpunt in mijn leven als docent. Vanaf dat moment wist ik bovendien hoe belangrijk het is om goed contact met ouders hebben.


Deze column verscheen eerder in onderwijsvakblad Bij de Les.

Interview met mijn moeder

Het thema eenzaamheid raakt mij persoonlijk. Mijn moeder worstelt regelmatig om de dag door te komen. Ik voel mij machteloos, omdat ik de eenzaamheid niet voor haar kan oplossen. Ik voel mij ook schuldig. Doe ik wel genoeg? Schiet ik niet tekort? Op mijn manier ben ik daar zelf ook eenzaam in. Ik mis mijn vader die mij zo goed kon adviseren. Samen met Eveline spreek ik af om mijn moeder te interviewen. Het is ons laatste interview. De vorige interviews spraken we óver mensen die eenzaam waren. Nu stel ik vragen áán mijn eigen eenzame moeder. Best een beetje spannend.

Op tafel ligt een blad met aantekeningen. Miek Olsthoorn (82) heeft het gesprek goed voorbereid. Voor Miek begon de eenzaamheid toen haar man overleed. De eerste maanden was er nog veel aandacht voor haar. Je bent net weduwe en mensen leven met je mee. Maar het leven gaat door, en na een jaar verwachten mensen dat je er overheen bent. “Terwijl de eenzaamheid voor mij toen pas echt begon. Hoe langer het geleden is, hoe meer het besef doordringt dat het afscheid definitief is. Niet dat je verwacht dat Nico terugkomt tot leven, natuurlijk niet. Maar het onomkeerbare wordt overduidelijk.” Het leven zonder echtgenoot valt Miek zwaar. “Ik heb wel een huis, maar geen thuis. Eenzaamheid is voor mij het gevoel dat je er niet toe doet, dat je geen doel hebt in het leven.” Toen haar man nog leefde hebben ze er vaak over gesproken hoe het zou zijn als je er alleen voor komt te staan. “Het lukt me wel, zei ik dan altijd.” Maar op dat moment kun je je niet voorstellen hoe het is om echt alleen te zijn. “Eenzaamheid overkomt je, en nu merk je dat het heel moeilijk is. Dit gevoel gaat ook niet meer weg, het wordt alleen maar erger.”

Gezondheid
Er zijn er veel vriendinnen van Miek weggevallen de laatste jaren. Dat hoort ook bij ouder worden. Het is niet altijd makkelijk om het initiatief te nemen om af te spreken. Je hebt dan wel eens het gevoel dat je je opdringt. Dat zorgt ervoor dat de drempel om af te spreken steeds hoger wordt.

Een andere beperkende factor is de gezondheid. Miek is hartpatiënt en heeft chronisch last van hoofdpijn en aangezichtspijn. Enige tijd geleden is er een pacemaker geplaatst. Dat heeft ervoor gezorgd dat ze meer energie heeft en minder snel moe is. Vóór de pacemaker was het niet mogelijk om meer dan één activiteit per dag te doen. Nu kan Miek een hele dag in de weer zijn en dan ’s avonds nog niet uitgeteld zijn. Op dit moment is de hoofdpijn de grootste barrière om de deur uit te gaan. Een ruimte vol met mensen is al gauw te rumoerig. Dan wordt de hoofdpijn ondraaglijk. Haar slechte gehoor maakt het er niet makkelijker op om aan de gesprekken mee te doen. “Ik kan me echt verheugen op de boekenclub waar ik bij zit, maar tegelijkertijd zie ik er vanwege mijn gezondheid enorm tegenop.” Miek heeft wel eens gezocht naar vrijwilligerswerk, maar dat durft ze vanwege haar gezondheid niet aan. Bovendien ervaart ze zelf een enorme sociale drempel bij het zoeken van contact. “Kan ik het wel aan? Is het wel iets voor mij? Pas is wel tussen de groep?” Bij het inloophuis Wij Allemaal is ze even binnen geweest en snel weer vertrokken. “Al die kakelende mensen, ik kon het niet verdragen.”

Vervreemd
Eenzaam oud worden geeft je het gevoel dat je vervreemdt van de maatschappij. “Ik kan het allemaal niet meer volgen zoals vroeger. Het hele digitale tijdperk is voor mij niet meer bij te houden.” Miek vertelt verder over wat er allemaal is veranderd sinds het overlijden van haar man. “Ik mis soms gewoon een knuffel, dat je intiem kunt zijn met iemand en je gedachtes kunt delen. Verder vond ik het verschrikkelijk om met mijn man ook de auto kwijt te raken. Hierdoor heb je zelf niet meer de regie om te gaan en staan waar je wilt, het maakt je ook in het verplaatsen afhankelijk van anderen.”

Ik vertel mijn moeder wat ik de afgelopen weken bij het afnemen van de interviews heb geleerd. Ik vertel haar dat we hebben gesproken met iemand van Humanitas die eenzame mensen koppelt aan vrijwilligers. Eenzaamheid ontstaat vaak bij het verliezen van een partner. Veel mensen hebben behoefte om daar met iemand over te praten. Alleen maar omdat ze hun verhaal kwijt willen. Zou dat wat voor mijn moeder zijn. Er ontstaat een voorzichtige glimlach op haar gezicht. Ze durft nog niet te geloven dat het voor haar eenzame gevoel een oplossing kan bieden, maar het idee is troostend. Als Eveline en ik vertrekken houdt mijn moeder mijn hand wat langer vast. “Dus je brengt mij in contact met die meneer van Humanitas?” Dat zal ik doen, mama.

Laatste reacties
Archief