Alpe d’HuZes

Donderdag 5 juni, Alpe d’HuZes. Om 2.30 uur ‘s nachts gaat de wekker. Het kost mij geen moeite om wakker te worden. Ik heb ondanks de zenuwen goed geslapen. Mijn eerste zorg is eten klaarmaken. De brandstof voor de lange dag fietsen moet liefst twee uur voor aanvang naar binnen worden gewerkt. Het gasstel is natgeregend en het lijkt eeuwig te duren voordat ik het aan de praat te krijg. Uiteindelijk lukt het mij om havermoutpap te maken en gelijk daarna een pot koffie met de percolator. Het is koud en mijn maag twijfelt of dit stevige ontbijt op dit tijdstip wel een goed idee is. Ik trek de warme fietskleren aan die ik de avond ervoor heb klaargelegd. Om 3.45 uur vertrek ik samen met Patrick en Jacco in het pikkedonker op de fiets naar de start.  We zijn niet de eersten en belanden ergens midden in het peloton dat ik dikke rijen staat opgesteld voor de start. Ellen en Mark zijn inmiddels met de auto naar Le Bourg-d’Oisans gekomen. Ze doen een dappere poging om ons te vinden. Met bijna vijfduizend deelnemers is dat onbegonnen werk. . Vanaf 4.30 uur vertrekken we in ploegen. Het is even over vijf als we de startlijn passeren. Personal Patrick zwaait ons uit en ik zoek in de menigte naar Ellen en Mark die hebben doorgegeven dat ze vlak na de start staan, bij de linker fakkel. Ik ben blij als ik ze zie en het lukt mij om Ellen een high five te geven. We rijden dwars door het dorp richting de rotonde. Een lange stoet van witte en rode fietslampjes. Na de rotonde buigt de stoet linksaf en begint de eerste beklimming. Ondanks de warme kleding is het bar koud – boven op de berg zelfs onder nul, hoorden we later. Een paar bochten later warm ik wat op van de inspanning. Ik vraag mij af of ik te hard ga. Omdat het nog altijd donker is kan ik mijn hartslag. Naarmate we hoger komen komt de zon langzaam op. Mijn hartslag is onder de 130 slagen per minuut en ik weet dat ik wat gas kan geven. Vanaf bocht zeven begint het feest op gang te komen wat nog de hele dag zal duren. Mensen roepen je naam die ze aflezen van het deelnemersbord voor op het stuur.  Ze juichen voor iedereen even hard en onvermoeibaar. Er wordt muziek gedraaid, bandjes spelen livemuziek, in bocht zeven worden verse pannenkoeken gebakken en uitgereikt aan hongerige fietsers. In een roes bereik ik de top, vlak achter Jacco. We maken een selfie van ons samen, ik weet niet hoe lang ik hem nog kan blijven volgen. De eerste afdaling is een hel. Mensen komen verkleumd en met blauwe lippen en vingers beneden. De handschoenen met lange vingers die ik van Patrick heb geleend werken slecht voor mij. Mijn vingers zijn een stuk korter dan die van Patrick en ik krijg nauwelijks grip op mijn remhandels. Ik kom gedesoriënteerd beneden en moet echt even bijkomen voordat ik aan de tweede beklimming begin. De tweede beklimming gaat lekker, zo houd ik het wel een tijdje vol. De afdaling is ook minder koud en zonder de lange vingers gaat ook het afdalen beter. Bij de derde beklimming gaat het super. Opgezweept door de enthousiaste menigte fiets ik in één uur en zesentwintig minuten omhoog, mijn snelste tijd van de dag. Ik begin steeds meer aandacht voor mijn omgeving te krijgen en Alpe d’HuZes maakt grote indruk op mij. Na de derde afdaling heb ik honger als een paard. Niet gek, inmiddels heb ik ruim 3700 kilocalorieën verbrand. Team Dirk heeft voor Jacco en mij stokbrood met worst, paté en kaas ingekocht. Jacco en ik blijven nog altijd bij elkaar in de buurt en we zijn heel blij met de steun langs de kant! De zoete sportdrank en energierepen komen op een gegeven moment je neus uit en ik dan kan niks lekkerder verzinnen dan een stuk stokbrood met stevige worst. Ik eet meer dan goed voor mij is, kan mij niet bedwingen.

Door de enthousiaste verhalen over onze belevenissen bovenop de berg, begint het te kriebelen bij Ellen en Mark. Bovendien willen ze graag de finish meemaken. Ze besluiten een poging te wagen bij de finish te komen. Er zijn twee opties: wandelen naar de top, of met de kabelbaan. Wandelen duurt te lang. Om met de kabelbaan omhoog te gaan moet Ellen eerst haar hoogtevrees overwinnen. Het is een aardig stukje rijden naar het begin van de kabelbaan, aan de andere kant van de berg. Als het nodig is zal Mark, in navolging van The A-team, Ellen daar knock-out slaan en weer wakker maken bij het eindpunt. Even later beginnen Jacco en ik aan de vierde beklimming. Vrijwel direct krijg ik last van de maaltijd. De energie die ik nodig heb om te klimmen gaat nu verloren aan het verwerken van het voedsel. Mijn maag protesteert, ik moet noodgedwongen gas terugnemen en zie Jacco verder bij mij wegfietsen. Voor het eerst verlies ik hem uit het oog. Bij bocht zeven kan ik ondanks de kramp in mijn maag een pannenkoek die wordt aangereikt niet weerstaan. Het wordt er niet beter van. Vlak voor bocht drie krijg ik mijn hartslag niet meer omhoog. Als ik een stukje vers gemaaid gras zie kan ik de verleiding niet weerstaan. Ik zet mijn fiets tegen een muurtje en ga languit in het gras liggen. Heel even ben ik toeschouwer en geniet van de tientallen dappere fietsers die voorbij trekken. De kramp in mijn maag neemt af. Ik bedenk mij dat Jacco nu wel bij de finish zal zijn en hoop dat hij niet op mij zal wachten. Met lichte tegenzin stap ik weer op de fiets. Tot mijn eigen verbazing gaat het fietsen beter. Opgezweept door de muziek en de menigte, rijd ik in rap tempo naar de finish. Mijn hartslag krijg ik weer omhoog, mijn dip is voorbij. Een tikkeltje overmoedig ga ik met hoge snelheid door de straten van Alpe d’Huez op weg naar de finish. Ik twijfel of ik na de finish zal stoppen of doorfietsen. Zou Ellen haar hoogtevrees hebben overwonnen? Ik stop en kijk om me heen, maar Mark en Ellen zijn nergens te bekennen. Dan maar weer omlaag. Ik zie er tegenop. Mijn nek, mijn schouders, mijn handen, zo’n beetje mijn hele lichaam doet pijn. Bij het afdalen ben ik mij meer bewust van de pijn. Er lijkt geen einde te komen aan de afdaling. Ik ben pas bij bocht negen en besef me dat ik nog niet op de helft ben. De schaduw in het bos bezorgt me koude rillingen. Beneden wachten Jacco en Patrick mij op. Aan mijn doorkomsttijden heeft Patrick gezien dat ik een inzinking heb gehad. Ik vertel dapper dat ik over mijn dip heen ben. Patrick probeert zijn bezorgdheid te verbergen maar ik vang er toch wat van op. Mijn voorderailleur hapert en ik vraag Patrick er naar te kijken. Het wil niet lukken maar ik ben blij met mijn verlengde pauze. Liefst blijf ik nog langer zitten, maar als ik nog later begin aan de vijfde beklimming komt de zesde beklimming in gevaar. Vóór zes uur moeten we weer beneden bij het keerpunt zijn. Daarna mag je niet meer beginnen aan een nieuwe beklimming. Mijn lichaam protesteert als ik weer op de fiets stap. De pijn is nog heviger dan bij het afdalen en we rijden nog maar op het vlakke gedeelte, naar de beklimming toe. Samen met Jacco draai ik voor de zoveelste keer linksaf. Het lange steile stuk naar bocht eenentwintig voelt als een muur waar ik tegenop rijd. Ik vertel Jacco niet op mij te wachten en verbijt de pijn. Heel langzaam kom ik in een soort van ritme. Of misschien wil ik graag dat dat zo is. Hoe lang houd ik dit nog vol? Hoe lang heb ik eigenlijk de tijd voor deze beklimming? Het lukt me niet om het uit te rekenen, zo moe ben ik. Het piept en het kraakt. In de afgevlakte bochten waar ik voorheen versnelde, gaat nu het tempo omlaag. Zo lang mogelijk probeer ik mijn benen de tijd te geven om te herstellen. De zon brandt en ik begin last te krijgen van de warmte. In bocht zeventien komt de gedachte op dat ik ook deze beklimming misschien niet ga redden zonder tussenstop. In bocht veertien steek ik zonder om mij heen te kijken de weg over. Mijn fiets wordt als vanzelf richting de schaduw gestuurd. De tranen stromen uit mijn ogen als ik tot stilstand kom. Ik begrijp niet zo goed waarom. Ik laat mijn fiets in het gras vallen en loop een stukje richting de struiken, weg van de drukte. Op een klein stukje gras zak ik neer en word overvallen door emoties. De batterij van mijn telefoon is bijna leeg. Ik sms Ellen dat ze er rekening mee moet houden dat dit wel eens mijn laatste beklimming kon zijn.

Ik denk aan de maanden van voorbereiding. Aan de momenten dat ik het zwaar had. Als ik geen zin had om te trainen, dan was de gedachte aan mijn vader genoeg om toch op de fiets te stappen. Wanneer ik trainde op de grenzen van mijn kunnen en mijn lichaam wilde niet meer, dan dacht ik aan mijn vader en verdween de pijn. Nu de grote dag is aangebroken ontbreekt het mij niet aan wilskracht. Op doorzettingsvermogen kan ik nog wel tien keer omhoog, al moet ik lopend. Ze zullen mij van de berg moeten afhalen, opgeven is geen optie. Ik stap weer op de fiets. Mijn coördinatie is weg en ik bots bijna op een afdalende fietser. De pijn is er nog steeds. Mijn benen zijn nog maar net voldoende hersteld om de pedalen rond te krijgen. De tranen stromen nog altijd uit mijn ogen. De fietsers die mij inhalen kijken om of het wel goed met mij gaat. Ik kijk stoïcijns voor mij uit en focus op de volgende bocht. Hoeveel bochten nog te gaan? Hoeveel bochten red ik nog zonder af te stappen? Mijn vader kan mij nu niet meer helpen. Ik heb mijn grens bereikt. Ik denk aan de lieve mensen die naar Frankrijk zijn gekomen om mij te steunen. Aan Patrick die in de brandende zon op mij wacht. Aan Ellen die doodsangsten moet uitstaan om bij de finish te komen. Ik denk aan vijf jaar geleden toen ik de Marmotte fietste. Ook toen lag de finish bovenop Alpe d’Huez. Na een lange zware rit was ik uitgeput en moest ik regelmatig pauzeren om bij te komen. Op het laatst stopte ik in elke bocht en zelfs tussen twee bochten in. Ik weet nog precies op welke plek ik werd ingehaald door de bezemwagen. Ook vandaag zullen de pauzes steeds korter op elkaar volgen. De verzuring in mijn benen is maximaal. Ik wil dit niet. Ik wil niet tijdens de zesde beklimming door de bezemwagen worden ingehaald. Ik wil niet van de weg worden gehaald. Laat mij dan liever zelf die keus maken. Ik moet het loslaten hoe moeilijk dat ook is. Ik wilde zó graag zes keer de berg beklimmen. Wat zou mijn vader er van vinden als ik zou stoppen? Hij zou apetrots zijn, daar twijfel ik geen moment aan. Bij die gedachte barst het huilen los. Ik stop in bocht negen om bij te komen. Dit keer niet alleen van de inspanning. Ik lees een lief berichtje van Ellen en maak een besluit. Dit is mijn laatste beklimming. Er valt een last van mijn schouders. Ik laat meer los dan de sportieve uitdaging. Ik laat ook een stukje van mijn vader los. Het doet pijn, maar op een manier die ik niet kan uitleggen heeft het ook iets moois. Mijn gevoel heeft moeite mijn verstand te volgen. De tranen blijven komen. Ik fiets verder en langzaam wen ik aan de gedachte dat dit mijn laatste beklimming is. In bocht zeven begint het volksfeest op weg naar de top. Ik probeer mij groot te houden. Ondanks mijn zonnebril die mijn tranen verbergt, voelen de mensen langs de kant feilloos aan dat ik er doorheen zit. Van alle kanten word ik oorverdovend aangemoedigd. Ik word figuurlijk en soms zelfs letterlijk het laatste stukje omhoog geduwd. De saamhorigheid op de berg is schitterend. Ik wordt er warm van en begin te lachen door de tranen heen. Ik voel mij bevoorrecht. Dat ik dit mee mag maken. Intens geniet ik van mijn laatste bochten van Alpe d’HuZes. Door het euforische gevoel vergeet ik de pijn. Ik stop voor een laatste korte pauze in bocht één en begin dan aan de laatste twee kilometer naar de finish. Nu ik minder met mijn eigen prestatie bezig ben zie ik pas goed hoe bijzonder dit is. Ik herken mensen die mij de hele dag door hebben aangemoedigd en dat nu alleen nog maar harder doen. Als ik er adem voor heb bedankt ik de mensen langs de kant voor hun steun. Dan sla ik linksaf voor laatste rechte stuk naar de finish. Ellen en Mark hebben doorgegeven dat ze vlak na de finish staan, bij een uitvoegstrook voor fietsers. Ik passeer de finish. Ik zoek de menigte af maar kan ze niet vinden. Dan hoor ik plotseling heel hard mijn naam roepen. Ik herken de stem van Ellen en zie haar staan. Er zit een dranghek en twintig meter tussen. Ellen is heel snel bij mij en we omhelzen elkaar intens. Wat ben ik blij om haar te zien. Terwijl Mark de fiets van mij overneemt komt er een grote man met een grote camera bij ons staan. Er wijst een microfoon naar mij. Ik heb eigenlijk geen zin om te praten maar zeg toch kort iets voor de camera. We zoeken een stukje gras op waar ik kan liggen. Ik eet wat en kom langzaam maar zeker bij. Inmiddels is Jacco begonnen aan zijn zesde beklimming. Patrick fietst deze laatste keer met hem mee. Ik zoek naar de ouders van Jacco die ook bij de finish moeten staan. Uiteindelijk vind ik ze en we kijken samen uit naar de finish van hun zoon. Wat een held. En met wat een gemak fietst hij zes keer die berg op. Ik ben enorm trots op hem en ben blij dat ik erbij ben als hij over de finish komt. Zo sluiten we de dag samen af. Het was een dag om nooit te vergeten.

Volksvertegenwoordiging

Vormt de tweede kamer een afspiegeling van onze samenleving? De vraag stellen is hem beantwoorden. In de tweede kamer vind je geen bouwvakkers, verpleegsters, winkeliers of leraren. Als het gaat om opleidingsniveau lijkt de Tweede Kamer in geen enkel opzicht op Nederland. In de Kamer is 95 procent hoger opgeleid, in het land is dat 28 procent. Veel Kamerleden zijn na hun opleiding direct in een bestuursfunctie terecht gekomen bij de overheid. Zelfs bij een ‘volkse’ partij als de SP moet je met een vergrootglas zoeken naar Kamerleden die op de werkvloer hebben gestaan. Op zichzelf niet zo vreemd, het land besturen vraagt om andere vaardigheden. Je kunt je wel afvragen of deze Kamerleden het volk goed kunnen vertegenwoordigen.

In de gemeentepolitiek is er een vergelijkbare trend zichtbaar. Steeds meer raadsleden hebben een baan in de bestuurlijke sector, bijvoorbeeld als beleidsmedewerker bij een andere gemeente. Ook hier, heel begrijpelijk. Als je niks met gemeentepolitiek te maken hebt is de stap om de politiek in te gaan groot. De raadsleden met bestuurlijke ervaring weten waar ze over praten en kunnen op basis van hun expertise goed onderbouwde besluiten nemen.

Maar toch, het zit me niet helemaal lekker.

Democratie is een mooie uitvinding, maar er zijn ook nadelen. Soms twijfel ik aan de houdbaarheid van het systeem. Wordt het niet eens tijd voor iets anders? En dan niet een beetje rommelen in de marge, zoals een provincie meer of minder, maar het systeem compleet op z’n kop. Ander kiesstelsel, bijvoorbeeld een districtenstelsel zoals in Duitsland. Of een tweepartijenstelsel zoals in de Verenigde staten. Of misschien nog iets anders, wat we nu nog niet kunnen verzinnen. Ik geloof niet dat het ene systeem beter is dan het andere. Ik denk wel dat verandering goed is voor de betrokkenheid bij  de politiek. Het maakt ons bewust van wie we ook alweer zijn en waarvoor we ooit de democratie hebben ingesteld als staatsvorm. Ik zie het nog niet zo gauw gebeuren. Daarvoor gaat het, ondanks de crisis, te goed met Nederland.

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

In de war

Ik ben lid geworden van het CDA. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Ik sta zelfs op de kandidatenlijst voor de gemeenteraadsverkiezingen.

Het schrijven van een column in deze krant heeft mijn politieke betrokkenheid verder vergroot. Het interesseert mij enorm hoe raadsleden en politieke partijen tot een besluit komen. Vaak ben ik kritisch over het resultaat, maar ik heb ook veel bewondering voor de oprechte betrokkenheid van politici bij de samenleving.

Waarom het CDA? Goeie vraag. Wie het mij een jaar geleden zou hebben voorspeld zou ik voor gek hebben verklaard. Ik ben niet bepaald gelovig en al helemaal niet kerkelijk. Door een toevallige ontmoeting en naar aanleiding van het schrijven van deze column, ben ik benaderd door het bestuur van het CDA. Ik was gevleid, maar tegelijkertijd terughoudend. Uiteindelijk won mijn nieuwsgierigheid het en heb ik een aantal fractievergaderingen bijgewoond. In de fractie zitten betrokken mensen die weten waar ze het over hebben. Ik voelde mij er gelijk op mijn gemak, dat had ik eigenlijk niet verwacht. Ik weet ook niet zo goed hoe het komt, maar ik voel ik mij thuis bij mensen van de kerk. Het zal iets met de Christelijke normen en waarden te maken hebben. Christelijke mensen zijn vaak bescheiden. Ze hebben niet zoveel last van hun ego.

Het komt natuurlijk niet helemaal uit de lucht vallen. Mijn vader was priester toen hij mijn moeder leerde kennen. Ze werden verliefd en dat was een schande in die tijd. Mijn ouders volgden hun hart en mijn vader zei noodgedwongen het priesterschap vaarwel. Nadat ze getrouwd waren zijn mijn ouders nog lang actief geweest in de katholieke gemeenschap in Ilpendam. Daarna hadden ze met geen enkele kerk nog binding.

Ik wilde deze column eigenlijk wijden aan het in mijn ogen onzalige plan om autobedrijven langs de A7 te vestigen. Maar mijn eigen CDA heeft zich in de laatste raadsvergadering vóór deze plannen uitgesproken. Nu ben ik in de war. Kan ik deze column nog wel schrijven?


Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Hoogbouw

Bijna dagelijks rijd ik langs het in aanbouw zijnde woonzorgcomplex, een voorziening voor ouderen met behoefte aan zorg. Naast de Melkwegbrug verreist langzaam maar zeker een enorm gebouw. Wordt het gebouw echt zo afgrijselijk als ik vermoed. Presentatietekeningen zien er meestal mooier uit dan de werkelijkheid. En ik vond de presentatietekeningen al niet veel soeps. Elke week wordt de toren een stukje hoger. Ik hou mijn hart vast.

Vooraf is er een hoop strijd geweest over het woonzorgcomplex. In het bestemmingsplan was een maximale hoogte van 18 meter toegestaan. Het woonzorgcomplex wordt ruim 60 meter hoog. (Ter vergelijking, dat is net zo hoog als het Mövenpick Hotel achter Amsterdam Centraal.) Die hoogte is volgens woningcorporatie Wooncompagnie nodig om het project rendabel te maken. Van de opbrengst van de appartementen in de toren moeten de voorzieningen in het complex worden betaald. Omwonenden maken zich terecht zorgen over het effect van de woontoren op de leefbaarheid. De toren geeft een lange slagschaduw, vooral in de winter. Bovendien bederft de toren het uitzicht, je kunt er niet omheen. De omwonenden hebben de strijd verloren, dat moge duidelijk zijn.

Ironisch genoeg is het met de huidige politieke ontwikkelingen maar zeer de vraag of er wel behoefte bestaat aan de voorzieningen die in het woonzorgcomplex worden gerealiseerd. De participatiesamenleving heeft als gevolg dat ouderen steeds langer thuis blijven wonen. Al dan niet bijgestaan door mantelzorgende familie of kennissen. Dat is overigens niet iets van de laatste jaren. Ook toen de plannen voor het woonzorgcomplex werden gemaakt, ten tijde van de kabinetten Balkenende, was deze ontwikkeling gaande. ‘Mensen in hun kracht brengen’ noemden ze dat bij het CDA.

Ik ben geen tegenstander van hoogbouw. Het gaat mij meer om de menselijke maat. In dit geval vrees ik dat die ernstig zoek is. Te groot voor Purmerend en vooral: te dicht op de woningbouw. Hopen dat het meevalt.


Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Reclameborden

Mijn voornemen was om deze keer een opgewekte column te schrijven. Er gebeurt heus een heleboel moois in het politieke landschap van Waterland, de moeite waard om over te schrijven. Het gaat me toch weer niet lukken. Mijn kritische aard zit me danig in de weg.

Langs drukke doorgaande wegen in Purmerend zijn 150 reclameborden geplaatst. Reclamedisplays worden ze genoemd. Ongeveer zo groot als een uitgevouwen krantenpagina oude stijl. Ze staan op een paal in de grond en de poster zit in een afgesloten kast. Een stuk of zes displays op een rij, op twintig meter afstand van elkaar. Ze zijn behóórlijk zichtbaar – dat zal ook wel de bedoeling zijn. De reclamedisplays maken deel uit van een ‘professionalisering van reclame in de buitenruimte’. Juist ja. Maar wat houdt die professionalisering dan in? Het betekent dat de displays de driehoeksborden vervangen die met tie-wraps aan elkaar waren gemaakt en om een lantaarnpaal  zaten. ‘De driehoeksborden waren vaak niet goed zichtbaar en gaven een rommelig beeld’, aldus de gemeente. Zouden er mensen slapeloze nachten hebben gehad van dat rommelige straatbeeld? De achterliggende gedachte is natuurlijk dat de gemeente geld verdient aan deze nieuwe vorm van buitenreclame. Ten koste van het stadslandschap.

Ik wil ze niet! Weg met de reclamedisplays! Boe, boehoe! Dat de VVD voor deze vorm van stadsvervuiling kiest begrijp ik nog. Marktwerking en zo. Dat de Stadspartij en de PvdA hier zijn ingetrapt vind ik onbegrijpelijk. Tenminste, ik neem aan dat zuks door de gemeenteraad moet en dat het College van B&W het als voorgenomen besluit aan de raad heeft gepresenteerd. Ik kan op de website van de gemeente niks vinden over de besluitvorming. De zoekfunctie op de website werkt nog even beroerd als altijd.

Oh wacht, toch nog wat gevonden. Het college heeft de gemeenteraad gevraagd om af te zien van regelgeving omtrent buitenreclame in de stad. Kennelijk heeft de gemeenteraad daarmee ingestemd.

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Eenrichtingsverkeer

Politiek is dichtbij, maar oh zo ver weg. Ik werk op het zogenaamde scholeneiland, vlak bij industrieterrein De Koog. De verkeerssituatie voor fietsende schoolgangers is er nooit ideaal geweest. Toen ik zelf nog als leerling naar de Flevostraat fietste was het, vooral tijdens pauzes en als de school uitging, al gevaarlijk druk voor de deur. Auto’s reden harder voorbij dan veilig was, er waren geen verkeersdrempels. Bij het drukste fietskruispunt van Purmerend moesten automobilisten, tot hun grote frustratie, soms minuten lang wachten totdat er weer een gaatje kwam. Toen hadden de fietsers daar nog voorrang. Dat is zo’n vijfentwintig jaar geleden. Het afgelopen jaar heb ik, al fietsend naar mijn werk, de verandering in de verkeerssituatie kunnen volgen. Aanleiding was verkeersoverlast in de Van IJsendijkstraat. Dat is vanuit het centrum de enige route naar industrieterrein De Koog. Om er de drukte te beperken is er vanaf sporthal de Beukenkamp nu eenrichtingsverkeer ingevoerd. Je kunt wel naar het industrieterrein toe, maar om er weer uit te komen word je via de Flevostraat en de Koogsingel geleid. Langs het scholeneiland. Begin vorig jaar was ineens bij het drukste fietskruispunt van Purmerend de verkeerssituatie gewijzigd. Vanaf toen hadden de auto’s er voorrang en moesten de fietsers wachten. Dat was wel even wennen. Een nieuw laagje asfalt maakte de racebaan compleet. Auto’s rijden nu harder dan ooit langs het scholeneiland.

De gemeente heeft vooraf onderzoek laten doen naar de veiligheid rond het scholeneiland. In een adviesrapport staat dat er maatregelen nodig zijn om de veiligheid van fietsers en voetgangers te waarborgen. Er wordt geadviseerd verkeersmaatregelen te nemen om de snelheid van auto’s te beperken. In het zelfde rapport staat dat de verkeersmaatregelen niet ten koste mogen gaan van de doorstroom van auto’s. Met name de ambulancedienst mag geen vertraging oplopen. Merkwaardig dubbelzinnig advies. Ik denk dat de gemeente vooral het laatste deel van het advies heeft overgenomen. Gevalletje eenrichtingsverkeer?

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Gemeenschapszin

Ik hou van Frankrijk. Al zolang ik mij kan herinneren. Waarom ik zo veel van Frankrijk hou weet ik zelf niet zo goed. De mensen zijn er stug. Op campings is het vaak smerig, vooral het sanitair. En boven een gat poepen, ik zal er nooit aan wennen. Maar ik neem het voor lief.

Ik was acht toen ik voor het eerst samen met mijn ouders op vakantie ging naar Frankrijk. Ik was diep onder de indruk van het landschap. We kwamen uiteindelijk in de ruige Ardeche terecht. Er was niks op de camping. Geen voorzieningen, geen animatie, niets. Alleen ongerepte natuur. Dagenlang heb ik mij vermaakt met alleen de rivier, die een kilometer lopen van de camping lag.  Tientallen stenen heb ik doormidden gehakt, op zoek naar pastelkleurige mineralen en glinsterende metaaldeeltjes aan de binnenkant. Toen ergens zal de liefde zijn ontstaan.

Terwijl ik deze column schrijf lig ik in een piepklein tentje, op een camping honderd kilometer boven Parijs. Ik ben op doortocht naar de Dordogne, waar ik een vriend ga bezoeken. Hij is er een aantal jaar geleden samen met zijn ouders naar toegetrokken en leeft er zo’n beetje als God in Frankrijk.

Het is er niet alleen maar romantiek. De mensen in het dorp hebben nauwelijks inkomsten en pensioen kennen ze niet op het platteland. Men werkt letterlijk door totdat men er bij neervalt. Het is een hard bestaan. Om te overleven heeft men elkaar nodig. Met een roestige oude machine van voor de oorlog wordt de oogst gedaan. Alsof je terugreist in de tijd. Mensen helpen elkaar, met van alles. De een maakt kaas, de ander bakt brood. In het dorp wordt zelfgestookte Eau de Vie uitgeruild tegen Confit van het konijn dat gisteren nog in het hok zat op het erf. Als ik er ben, dan help ik graag mee op het land. Op de terugreis vraag ik mij mijmerend af of die gemeenschapszin ook in Purmerend kan bestaan.

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Opgeleid waarvoor?

Ik dacht altijd dat er niet zoveel verschillen bestonden tussen de Nederlandse cultuur en andere culturen. Totdat ik als beginnende leraar drie Marokkaanse jongens in de klas kreeg. Ik was een beetje bang voor ze. Ze praatte zo hard en waren altijd aan het bekvechten, met veel gebaren erbij. Bij de techniekles konden ze geen moment op hun kont blijven zitten. Hard lachen, dat deden ze ook graag. Wat zijn dit voor aso’s, dacht ik bij mezelf. Ik wist mij er geen raad mee. “Blijf nou een keertje stil zitten! Doe eens even normaal!” Als ik boos werd ging ik net zo hard praten als zij deden. Daar werd het natuurlijk niet beter van. Het heeft mij minstens een half schooljaar gekost om er mee om te leren gaan. Humor heeft ons uiteindelijk gered. Door de verschillen te benoemen en er samen om te lachen ontstond wederzijds begrip. Ik ontdekte dat het drukke macho gedrag erbij hoorde. Het was onderdeel van hun cultuur. Toen ik er oog voor kreeg vond ik het grappig en op een gekke manier vertederend.

Ook bij leerlingen van andere culturen kostte het vaak moeite om de culturele kloof te overbruggen. Vooral met temperamentvolle meiden wist ik mij vaak geen raad. Ze haalden het bloed onder mijn nagels vandaan. Radeloos werd ik er van. Zelfs zo radeloos dat ik een keertje voor een volle klas in huilen uitbarstte. Toen werd het van de schrik wat beter.

Cultuurverschillen overbruggen is niet vanzelfsprekend. Ik heb er hard voor moeten werken. Ik had als leraar dan ook geen andere keus, kon er niet voor weglopen. Voordat ik in het onderwijs ging werken was het mij kennelijk altijd goed gelukt om de confrontatie te mijden. Naast een Surinamer zitten in de tram en glimlachend knikken als je de tram weer verlaat. Het is wat anders dan samenwerking aangaan. Laat staan echt interesse tonen.

Een van de drie Marokkaanse jongens kwam ik later regelmatig tegen in de supermarkt waar ik boodschappen deed. Mohammed werkte er als vakkenvuller om wat bij te verdienen. We maakten altijd een kletspraatje. Hij vertelde dan over zijn opleiding bij het ROC en over zijn plannen voor de toekomst. Hij had een vlotte babbel en wilde graag verkoper worden. Of een eigen winkel openen. Ik genoot van de passie waarmee hij er over vertelde.

Op een dag kwam ik hem weer tegen en was er iets veranderd. De altijd vrolijke jongen lachte niet meer. Er was verdriet in zijn ogen te zien. Ik vroeg hem hoe het met hem ging. Hij vertelde dat hij al heel lang aan het solliciteren was maar dat niemand hem wilde aannemen. Omdat hij een Marokkaan was. Ik kreeg tranen in mijn ogen toen hij dat vertelde. Vooral omdat ik mij realiseerde dat het waar was.

De laatste keer dat ik Mohammed sprak twijfelde hij hevig of hij politieagent wilde worden. Het was een mooie kans op een baan, en het leek hem leuk. De keuze was moeilijk omdat zijn Marokkaanse vrienden het geen goed idee vonden – waarschijnlijk omdat een deel van hen er criminele activiteiten op na hield.

Het is nu tien jaar geleden dat dit verhaal zich afspeelde. Het uitzicht op de arbeidsmarkt voor allochtone jongeren is er niet beter op geworden. In tegendeel. Op school is men nog vol goede moed. De ellende begint pas als de opleiding is afgerond. Opgeleid waarvoor?

Deze column verscheen eerder in Bij de Les.

Archief