Gemeente Purmerend

Duur paspoort

Superhandig! Een afspraak maken voor het verlengen van je paspoort. Scheelt een hoop wachttijd, en als ik ergens een hekel aan heb. Ik typ het adres van de gemeente Purmerend in de browser en druk op ‘enter’. Oeps! ‘De website zal binnenkort weer beschikbaar zijn’, verschijnt er in het scherm. Maar hoe kort is dat eigenlijk, binnenkort? Na een half uur nog steeds geen website, en ook niet na een uur. Geen nood, een beller is sneller.

Ik heb voorjaarsvakantie en kom vandaag wat langzaam op gang. Met breed plakband en lijm probeer ik een grote doos dicht te plakken die vandaag retour afzender moet. Een tikje aan de late kant vertrekken de doos en ik van huis. Snel nog langs het stadje om pasfoto’s te maken, het postkantoor moet later dan maar. ‘Je hebt het helemaal onder controle, Dirk’, praat ik mezelf moed in. Het zweet staat in mijn handen als ik de parkeerplaats bij het stadhuis op rijd. Gelukkig, de parkeerplaats is nagenoeg leeg. Volgens mijn telefoon is het twee minuten voor tien. Om tien uur is de afspraak. Als ik eerst naar de parkeermeter moet en dan weer terug naar de auto en daarna pas naar het gemeentehuis, dan kom ik te laat. En aan te laat komen heb ik een nóg grotere hekel dan aan wachten. Ik besluit het er op te wagen. Hoe lang kan het verlengen van een paspoort nou helemaal duren? Precies op tijd sta ik voor de balie. Ik krijg een ticket en ben gelijk aan de beurt. De pasfoto’s worden gecontroleerd en mijn vingerafdrukken gescand. Ja, ja, ik ben nog steeds 1 meter 80 lang. Na vijf minuten sta ik weer buiten. Bij de uitgang word ik net iets te vriendelijk begroet door een ambtenaar die buiten en sigaretje staat te roken. Als ik naar de auto loop lijkt het alsof er iets wits op de voorruit zit. Of is het de glinstering van de zon? Dichterbij gekomen zie ik dat er een briefje onder de ruitenwisser zit. Een bekeuring van 56 euro. Eigen schuld dikke bult, maar wel een erg duur paspoort.


Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Melkwegbrug

Wat ik vind van de melkwegbrug? Het heeft even geduurd voordat ik er uit was. Dat ik er over schrijf moest er een keer van komen. Ik heb het eerder in deze column een keer opgenomen voor de brug. Mijn voornaamste argument was dat een stad markeringspunten nodig heeft en dat deze bijzondere brug daar in zou voorzien. Nou, dat is zeker uitgekomen. Het is een bezienswaardigheid. Overdag, maar zeker ’s avonds als de verlichting brandt.

Ik moest erg wennen aan de brug. Nog steeds weet ik niet of ik ‘m mooi vind. Ik vind de brug donker en daardoor wat somber. Ik vind het jammer dat de ronde boog niet perfect rond is. Ik vind de helling van het kronkelende fietsgedeelte nogal stijl. Misschien wel te stijl om met een handbewogen rolstoel te beklimmen? In ieder geval vind ik het niet mooi. Ik mis door de hoogte vanaf de kade het oogcontact met de passanten op de brug. De verlichting zou van mij ook wat minder mogen. Het heeft zo toch iets weg van een kermisattractie. Sfeerverlichting op een modern ontwerp heeft een ander uitwerking dan sfeerverlichting op een brug over de Prinsengracht.

En toch, toch ben ik blij met de brug. Ik wen langzaam aan alle eigenaardigheden, dat komt wel goed. De melkwegbrug is een beetje mijn brug geworden. Een brug waar ik als Purmerender trots op ben. Zoals ik ook trots ben op Purmerend. Leg het een vreemde maar eens uit. ‘Tuigdorp aan de A7′ wordt Purmerend ook wel genoemd. Of ‘het Helmond van het Noorden’. Ik kan er de lol van inzien – het is toevallig wel míjn tuigdorp ;-) . Maar nogmaals, ik ben vooral blij met de brug als markeringspunt. Na de Koemarkt wordt de Melkwegbrug met de herinrichting van het Tramplein het tweede succesvolle stadvernieuwingsproject binnen een paar jaar tijd. Meer van dat soort markante plekken en bouwwerken!

Afgelopen weekend kwam ik er bij toeval achter dat de brug is ontworpen door twee oude studievrienden van mij, Bart en Marijn. Als ik er nog aan twijfelde, toen wist ik het zeker. Ik hou van de Melkwegbrug.

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Duurzame stadsverwarming

Er komt een biowarmtecentrale voor de stadsverwarming in Purmerend. Als het woordje bio of duurzaam ergens genoemd wordt dan ben ik op mijn hoede. Ik vind dat we zuinig moeten zijn op de natuur en onze omgeving. Het gebruik van fossiele brandstoffen bijvoorbeeld, is niet bepaald duurzaam. Al is het alleen maar omdat ze in rap tempo op raken. Toch ben ik kritisch als het gaat om duurzame oplossingen. Ik mis die kritische houding wel eens bij mijn duurzame medemens. Op kritische vragen die ik stel krijg ik vaak geen antwoord. Of ik krijg als antwoord dat ik niet zo kritisch moet zijn. Het is not done om kritisch te zijn als het om duurzaamheid gaat.

Een biowarmtecentrale werkt op biologische brandstoffen, gemaakt van biologische producten die hun hele leven lang CO2 hebben opgenomen. De CO2 die ontstaat bij verbranding wordt daarmee gecompenseerd. Het probleem bij biobrandstof is dat er geen onbeperkte voorraad is. Op dit moment is de vraag nog niet zo groot, maar als dat in de nabije toekomst veranderd dan ontstaat er schaarste. Stadsverwarming Purmerend heeft met Staatsbosbeheer afgesproken dat de levering van snoeihout gegarandeerd is tot 2024. Maar wat gebeurt er daarna? Er is een groeiend tekort aan landbouwgrond, dus grond om biobrandstof te verbouwen is er niet. Misschien komt er op termijn een oplossing in de vorm van kweekalgen, daar is geen landbouwgrond voor nodig. Het duurt alleen nog een jaar of zeven voordat biodiesel gewonnen uit algen rendabel wordt. En dan nog, werkt de nieuwe biowarmtecentrale ook op biodiesel? Ik vrees van niet.

Stadsverwarming Purmerend wordt waarschijnlijk verkocht aan afvalverwerkingsbedrijf HVC. Ik kan alleen maar hopen dat HVC antwoorden heeft op de vragen die ik stel. Voor je het weet verdwijnt er van alles en nog wat in de biowarmtecentrale. Er zijn nu al voorbeelden bekend waarbij biowarmte wordt opgewekt uit dubieus restafval. Bij gebrek aan een betaalbaar alternatief. Ik ben benieuwd of de gemeente heeft nagedacht over de gevolgen op lange termijn. Of gooit men met de verkoop van de Stadsverwarming deze problemen over de schutting?

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Halte Leeghwaterbad

Mijn moeder schrijft graag brieven. Ze heeft de gemeente Purmerend gevraagd of het niet mogelijk is een bushalte te maken bij het Leeghwaterbad. Te duur, was het antwoord van de gemeente. Daar is mijn moeder het niet mee eens.

Op doktersadvies werkt mijn moeder aan haar conditie. Op zaterdagmiddag gaat ze daarom zwemmen bij zwemvereniging ‘De Waterratten’. Om er te komen is mijn moeder afhankelijk van het openbaar vervoer. Het is een flink eind lopen vanaf de bushalte naar het Leeghwaterbad. Volgens de reisplanner moet dat in zes minuten lukken, maar mijn moeder van 80 doet er minstens tien minuten over. Al met al is het een flinke inspanning voor haar. Bij het zwembad aangekomen heeft ze haast geen energie meer over om te zwemmen. Maar dat vindt mijn moeder nog niet zo erg. Het is het onveilige gevoel tijdens de wandeling dat er voor heeft gezorgd dat ze de reis niet meer aandurft. Je moet onder een viaduct door waar jongeren hangen en daarna door een verlaten park richting het zwembad. Dat is bij daglicht al niet fijn, maar wordt pas echt ‘unheimisch’ als het bij de terugreis donker is geworden. Mijn moeder gaat dus niet meer zwemmen, tenzij iemand haar kan brengen en halen. Ze heeft de ambtenaar een brief terug geschreven en vraagt zich daarin terecht af waarom de gemeente wel geld heeft om een grote parkeerplaats bij het zwembad aan te leggen, maar geen geld voor een bushalte.

Waarom zou je überhaupt bussen laten rijden in Purmerend? Je kunt overal toch komen met de auto, of met de fiets? Is het niet een kerntaak van de gemeente om te zorgen voor een goede bereikbaarheid van openbare voorzieningen. Er zijn genoeg mensen afhankelijk van het openbaar vervoer. Bushaltes in Purmerend zijn voor veel geld opgehoogd, zodat ouderen en minder validen gelijkvloers kunnen instappen. Dan zou het fijn zijn als die zelfde ouderen en minder validen ook hun eindbestemming kunnen bereiken.
Een nieuw zwembad bouwen en de bushalte vergeten, dat kan gebeuren. Het wordt tijd om deze fout te herstellen.

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Sociale werkplaats

Vroeger heette een werkvoorzieningschap nog een sociale werkplaats. Mijn zus, een mongool, werkte daar toen, samen met andere geestelijk gehandicapten. Twintig jaar geleden werden die termen nog gebruikt. Nu zouden we spreken van mensen met het downsyndroom en mensen met een verstandelijke beperking. Mijn zus heeft er nooit last van gehad dat mensen haar mongool noemden. Sterker nog, zij buitte haar handicap uit. “Maar ík ben een mongooltje”, zei ze dan, als ze rook dat er voordeel mee te behalen viel. De behoefte aan verzachtende benamingen is er vooral bij mensen die er van afschrikken. Het liefst zouden ze zien dat er helemaal geen handicap was. Hier moest ik aan denken toen ik het nieuws las over het beëindigen van het werkgeverschap van BaanStede. Alle medewerkers  van het werkvoorzieningschap zullen worden ondergebracht bij reguliere bedrijven.

De koerswijziging bij BaanStede is voornamelijk ingegeven door een gebrek aan geld. Het is op zich een mooi streven om alle medewerkers onder te brengen bij reguliere bedrijven. Maar niet erg realistisch. Er zal altijd een groep blijven waarbij dat niet mogelijk is. Niet zonder één op één begeleiding. Ook zullen er mensen zijn die pas na een periode van intensieve training bij een regulier bedrijf kunnen instromen. In deze opleidingsfase moeten beroepsvaardigheden maar vooral ook sociale vaardigheden worden aangeleerd die noodzakelijk zijn om te overleven in het bedrijfsleven.

‘Omdat het een kwetsbare doelgroep is, zijn gisteren alle medewerkers ingelicht’, vertelde wethouder Daan tegenover deze krant. Dat klinkt aardig, maar slaat nergens op. Onder de medewerkers van BaanStede is door het nieuws grote onrust ontstaan. Zij vragen zich terecht af of een regulier bedrijf hen wel wil hebben. Het is het tegenovergestelde van zorgvuldig omgaan met een kwetsbare doelgroep. Als BaanStede er van overtuigd is dat alle medewerkers kunnen worden ondergebracht bij reguliere bedrijven: doe dat dan gewoon! Begeleid ze er in alle rust naar toe. En laat deze mensen niet maanden lang in onzekerheid. Want wat gebeurt er als het niet lukt? Komen deze medewerkers van BaanStede dan thuis te zitten? Weg sociale contacten, weg gevoel van ‘iets bijdragen aan de samenleving’. Dat zou schandalig zijn.

Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Baanstee away

Humor om niet te lachen. Voor de aanleg van Baanstee Noord moest een oorspronkelijke stukje Purmerpolderlandschap verdwijnen. Noodzakelijk volgens de gemeente Purmerend, want economische groei en geld enzo. Ooit bedacht toen het de economie nog voor de wind ging. Nooit bedacht dat je bij gebrek aan wind zo’n plan ook kunt stoppen. Gewoon omdat dat kan. Of omdat er zeldzame vliegbeestjes rondvladderen. Of omdat er in al die jaren van ontwikkeling nog geen vierkante centimeter van het terrein is verkocht? Niet zo vreemd, er staat nog wel wat leeg op de bestaande industrieterreinen van de marktstad (1, 2, 3, 4) Je kan er zo intrekken met je toko, voor minder dan de hoofdprijs.

De gemeente Purmerend heeft de Baanstee Noord in de uitverkoop gedaan. Enorme billboards moeten bedrijven over de streep trekken. In de meest hilarische loltekst (om niet te lachen) wordt het voormalig stukje Purmernatuur aangeprezen bij de duurzame ondernemer: ‘Slim omspringen met de omgeving, mijn tweede natuur.’ O ironie. Wie verzint zoiets? Ik dacht zelf meer aan: ‘Slim omspringen met de natuur, niet mijn kopje thee.’ Of: ‘In mijn omgeving liever geen natuur.’ Man man man.


Wethoudersdiploma

Bij de gemeente Waterland verdwijnen basisvoorzieningen langzaam maar zeker uit de dorpskernen en stuntelt de wethouder met de busroutes; In Landsmeer vliegen de raadsleden en het college elkaar in de haren en heerst een ware bestuurscrisis; Her en der worden burgemeesters de laan uitgestuurd; Het aanvullend openbaar vervoer voor ouderen en gehandicapten is in de gemeente Beemster bedroevend slecht geregeld; En zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat is er toch aan de hand met de kleine gemeentes in ons Waterland?

De gemeente Beemster onderzoekt om financiële redenen of samenwerking met Purmerend nodig is. Gemeente Graft-De Rijp gaat om dezelfde reden samen met Alkmaar en Heerhugowaard. Hoe lang duurt het nog voordat de gemeente Waterland toenadering zoekt met Edam-Volendam?

Je zou verwachten dat het voor een kleine gemeente makkelijker is om de zaakjes op orde te hebben. De kleinschaligheid bevordert het overleg. Tussen burger en bestuur, maar ook binnen het gemeentelijke apparaat. De kleine gemeentes bewijzen het tegendeel. Waarom gaat er dan toch zo vaak iets mis bij de kleine gemeentes in Waterland? Is er bij de grote gemeentes soms meer kwaliteit in huis?

Om wethouder te worden heb je geen diploma nodig. Erger, je hoeft niet eens te kunnen bewijzen dat je in een andere functie hebt bewezen over de benodigde kwaliteiten te beschikken. Als jouw partij vertrouwen in je heeft kan je zomaar worden voorgedragen om wethouder te worden. Niet bepaald een uitgebreide sollicitatieprocedure. Niet iedereen staat te springen om wethouder te worden. Het betaalt aardig, maar na vier jaar kan je carrière voorbij zijn. Of eerder, als bijvoorbeeld het college valt, of als je er zelf een potje van maakt.

In Waterland ontvangt de wethouder bij een voltijdsaanstelling 5.553 euro per maand. In Purmerend loopt dat op tot 7.115 euro, omdat er meer inwoners zijn. Daarmee is het wethouderschap de best betaalde amateurbaan die ik ken. De kleine gemeentes vormen het afvalputje. De betere wethouders vertrekken naar grotere gemeentes, of naar de landelijke politiek. Er moet nodig iets veranderen. Fuseren met grotere gemeenten vind ik niet de beste oplossing.


Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Pestkoppen

Het was de afgelopen week hommeles op Twitter. Purmerendse gemeenteraadsleden beschuldigden elkaar over en weer. Iets over het niet nakomen van afspraken en te vaak afwezig zijn bij vergaderingen, doet er verder niet toe. Het begon plagerig maar het werd al gauw onaangenaam. De kritiek van Bart van Elden (VVD) en Frank Alberts (PvdA) werd door Arie-Wim Boer (Leefbaar) opgevat als verraad. Hoogst verontwaardigd kondigde Arie Wim aan dat-ie niks meer met de twee te maken wou hebben. Een ‘block’ op Twitter, zodat ze zijn tweets niet meer konden lezen, dat was hun verdiende loon. In totaal bemoeiden wel vijf Purmerendse politici zich met de cyberruzie. ‘Is dit het niveau van de Purmerendse politiek?’, vroeg ik de heren kemphanen. Er werd wat lacherig over gedaan, behalve door eentje dan. Als leraar in het voortgezet onderwijs herken ik snel wat er aan de hand is. Grapjes maken ten koste van de ander, iemand openlijk terechtwijzen, dat is geen plagen maar pesten. Pesten gebeurt niet alleen op scholen. Uit onderzoek blijkt dat meer dan een half miljoen Nederlanders zeggen weleens gepest te worden op het werk. De gemeenteraad van Purmerend is dus geen uitzondering.

Ik vind het geen fraai beeld van de raad. Natuurlijk, het is een vertekend beeld. De raad bestaat uit meer leden en de meesten doen niet aan cyberpesten. Over het algemeen is de sfeer onderling juist goed te noemen. Toch heb ik er in dit geval meer moeite mee. Gemeenteraadsleden hebben een voorbeeldfunctie. Als je kritiek hebt, bewaar die dan voor in de raadsvergadering. Of spreek elkaar er in de wandelgangen op aan. Dat is wel zo veilig. Ik vraag mij soms af of alle raadsleden wel doorhebben dat Twitter een openbaar medium is. Dat u en ik ze kunnen volgen. Dat er mensen zijn die de volksvertegenwoordigers in de gaten houden. Of ze wel een beetje lief voor elkaar zijn en zich aan de normale omgangsvormen houden. Misschien is het na de cursus ‘morele oordeelsvorming’ voor de gemeenteraad nu tijd voor een cursus sociale media en cyberpesten? Misschien moet ik dan ook maar aanschuiven, na deze openlijke kritiek.


Deze column verscheen eerder in Dagblad Waterland.

Archief